intrekken omgevingsvergunning

De uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3205 is opgenomen vanwege de overwegingen met betrekking tot het intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van 20 augustus 2002. Het college heeft aan de intrekking van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat bij controles op 8 juni 2016 en 3 januari 2017 is geconstateerd dat de werkzaamheden niet binnen een in het gemeentelijk beleid bepaalde termijn zijn gestart en ook niet aannemelijk is dat deze op korte termijn zullen starten. Uit controles is gebleken dat er tot 2006 geen sloop- of bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat van de werkzaamheden die daarna zijn verricht is vastgesteld dat dit geen werkzaamheden zijn waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken, onder meer de uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3916 waarin wordt overwogen dat bij de beslissing over de intrekking van een omgevingsvergunning voor bouwen alle in aanmerking te nemen belangen betrokken en tegen elkaar afgewogen zijn. Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder het realiseren van gewijzigde planologische inzichten, ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte bouwvergunning te rechtvaardigen.   In dit geval is voldoende aannemelijk dat geen bouwactiviteiten door appellanten zijn ondernomen en deze werkzaamheden ook niet op korte termijn zullen worden aangevangen. Het college mocht de vergunning intrekken. Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike