Mestbewerking: vergunning- en mer-beoordelingsplicht

In zijn uitspraak van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3201) oordeelde de Raad van State over het hoger beroep van de Dorpsraad Buggenum. Die kwam op tegen de verlening van een omgevingsvergunning bouwen en afwijking bestemmingsplan voor de bouw van een loods waar mest wordt gehygiëniseerd (verwarmd) en enkele opslagsilo’s voor digestaat (vergiste mest) en drijfmest. Een eerste vraag die in deze uitspraak aan de orde komt, is of voor de inrichting ook een omgevingsvergunning milieu is vereist. Dat is namelijk het geval als de opslagsilo’s voor mest kunnen worden aangemerkt als ‘mestbassins’ in de zin van artikel 7.5 van Bijlage I, onderdeel C, van het BOR. Daarin is bepaald dat het opslaan van dierlijke meststoffen in mestbassins van een bepaalde omvang vergunningplichtig is. Lastig is alleen dat het BOR geen definitie van dit begrip bevat. De Raad van State gaat daarom te rade bij het Activiteitenbesluit dat dit begrip wèl definieert en concludeert hieruit dat in zoverre van een vergunningplicht geen sprake is. Maar voor zover in de inrichting een installatie aanwezig is voor het ‘hygiëniseren’ (verwarmen) van mest geldt wel een vergunningplicht. Die vloeit voort uit artikel 2.1, lid 2, van het BOR in samenhang met artikel 1, lid 1, onder b, van Bijlage 1, onderdeel B, van het BOR. Dat had het bevoegd gezag over het hoofd gezien.   Een tweede geschilpunt betreft de vraag of niet een mer-beoordeling had moeten worden gemaakt. Volgens de Dorpsraad had dit moeten gebeuren, omdat mest een afvalstof is en daarom valt onder categorie 18.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (installaties voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton per dag of meer). De Raad van State constateert onder aanhaling van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU dat in dit geval de mest inderdaad moet worden aangemerkt als afvalstof (afhankelijk van de omstandigheden kan dit ook anders zijn). Die constatering leidt tot het oordeel dat het bevoegd gezag de aanvraag wegens het ontbreken van een mer-beoordelingsbesluit buiten behandeling had moeten laten. Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Jan