Windpark Zeewolde: geen verdeling van schaarse rechten

In de uitspraak van de AbRvS van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4198), gaat het om een Rijksinpassingsplan (RIP) en aanverwante besluitvorming. Het RIP voorziet in 91 nieuwe windturbines en in de sanering van 221 bestaande windturbines in het zuidelijk deel van Flevoland. Naar aanleiding van een verzoek van de voorzitter van de Afdeling heeft A-G Widdershoven in deze procedure op 6 juni 2018 een conclusie uitgebracht over het onderwerp ‘schaarse publieke rechten”.

Appellanten betogen onder meer dat schaarste is gecreëerd, omdat in het Regioplan (Structuurvisie) staat dat het windpark door één initiatiefnemer dient te worden gerealiseerd, terwijl er op dat moment meer gegadigden waren. Vervolgens is met het RIP dan wel de omgevingsvergunning een schaars recht toegedeeld aan Windpark Zeewolde B.V. Ook wordt aangevoerd dat in het RIP het uitgangspunt dat in een projectgebied een project van opschalen en saneren door één initiatiefnemer wordt uitgevoerd, niet mocht worden gehanteerd.
De A-G heeft in zijn conclusie toegelicht dat het RIP niet expliciet voorschrijft dat het windturbinepark door één initiatiefnemer moet worden opgericht, maar dat deze voorwaarde wel wordt gesteld in het Regioplan. De A-G stelt dat de Afdeling moet oordelen over de vraag of deze voorwaarde uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd is omdat in het RIP wel is bepaald dat iedere aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen moet aantonen dat alle 221 bestaande turbines zullen worden verwijderd en feitelijk aan dit voorschrift alleen kan worden voldaan als het park door één initiatiefnemer wordt gerealiseerd. De vraag óf de voorwaarde dat het project door één initiatiefnemer wordt verricht gerechtvaardigd is vanuit de optiek van een goede ruimtelijke ordening beantwoordt de A-G niet.

Over de toedeling van schaarse rechten stelt de A-G overigens in zijn conclusie dat algemene planologische besluiten (in beginsel) zelf geen besluiten zijn die schaarse rechten toedelen. Noch het RIP noch de omgevingsvergunning ter uitvoering van het RIP betreffen de toedeling van schaarse rechten.
In het Regioplan wordt gekozen voor een strategie van opschalen en saneren. Daarmee wordt een koppeling tussen de nieuwbouw van windmolens en de sanering van bestaande windmolens aangebracht. Opschalen betekent dat nieuwe windturbines groter zijn dan de oude en meer stroom opwekken. Saneren betekent dat windturbines van de vorige generatie worden weggehaald.
De Afdeling stelt vast dat in het RIP de bestemming met een bouwvlak voor een windturbine is toegekend aan 91 locaties. Die locaties waren op dat moment in handen van verschillende eigenaren. Verder is in het RIP bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag is aangetoond dat de te saneren windturbines, opgenomen in bijlage 1 bij de planregels op de in die bijlage genoemde data zijn verwijderd. In deze bijlage zijn 221 bestaande windturbines opgenomen, die op gronden van verschillende eigenaren staan. Met deze voorwaarde zal de uitvoering van het project door meer partijen weliswaar niet eenvoudig zijn, maar uitvoering door meer initiatiefnemers is in het RIP hiermee naar het oordeel van de Afdeling niet uitgesloten of verboden. De Afdeling concludeert dat het RIP geen schaarste creëert anders dan de schaarste die kenmerkend is voor ruimtelijke plannen waarin een bepaald gebruik van de grond, in dit geval voor de bouw van een windturbine, beperkt is tot de daartoe bestemde locatie.

Anders dan de A-G ziet de Afdeling in deze procedure geen ruimte voor beoordeling van de vraag of het in het Regioplan neergelegde uitgangspunt van één initiatiefnemer mocht worden gehanteerd. Dit betekent dat de argumenten die appellanten over dat uitgangspunt naar voren hebben gebracht niet inhoudelijk worden besproken.

Omdat het Regioplan geen deel uitmaakt van het toetsingskader voor de omgevingsvergunning voor het bouwen, komt aan het Regioplan en het daarin neergelegde uitgangspunt van één initiatiefnemer in dit kader evenmin betekenis toe.
Het betoog dat bij het RIP dan wel de omgevingsvergunning een schaars publiek recht is toegedeeld mist naar het oordeel van de Afdeling feitelijke grondslag. Het betoog van de ministers en Windpark Zeewolde B.V. dat aan alle appellanten die zich op het beginsel van gelijke kansen hebben beroepen het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb dient te worden tegengeworpen, wordt niet meer besproken.
Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan

[mc4wp_form id="1683"]